Meerjarenplan doorstaat toets over redelijkheid

De beslissing van de gemeenteraad van begin januari 2020 om de opcentiemen op de onroerende voorheffing op te trekken, past in de fiscale autonomie van de lokale besturen, is duidelijk onderbouwd en ligt binnen de grenzen van redelijkheid en evenredigheid. Dat zegt het Agentschap Binnenlands Bestuur in zijn antwoord op een formele klacht over het meerjarenplan 2020-2025 van de gemeente.

Het gemeentebestuur werd op 27 januari ll. geïnformeerd dat er tegen het meerjarenplan een formele klacht was ingediend. De klacht ging over enkele vormelijke elementen, evenals over de inhoudelijke beslissing tot verhoging van de gemeentelijke opcentiemen.

In zijn antwoord van 25 februari stelt het Agentschap Binnenlands Bestuur dat het evenwel geen reden ziet om op te treden.

Daarnaast, en belangrijker, het Agentschap vindt dat het gemeentebestuur de beslissing duidelijk en omstandig onderbouwd heeft: de inkomsten uit opcentiemen zijn een “noodzaak om een aangename leefomgeving en kwalitatieve dienstverlening te verzekeren, om de ambitieuze doelstellingen te realiseren en om het financieel evenwicht van de gemeente te vrijwaren”.

Bovendien ziet het Agentschap “geen indicaties dat het aantal opcentiemen dat de gemeenteraad heeft vastgesteld op zich onredelijk hoog zou zijn”. “De gemeente heeft het aantal opcentiemen vastgelegd in het licht van de noden waarin ze meent te moeten voorzien”, zo luidt het.

Samengevat, “de gemeente verantwoordt haar beslissing op een duidelijk onderbouwde wijze binnen de voor haar toepasselijke financiële context”. “Het aantal opcentiemen blijft in elk geval binnen de grenzen van de redelijkheid”, zo besluit het Agentschap.

Het gemeentebestuur is opgelucht dat de toezichthoudende overheid zo snel duidelijkheid heeft gegeven in het debat over de opcentiemen. Het beseft dat de beslissing een grote impact heeft op het gezinsbudget van sommige individuele inwoners en begrijpt hun ongenoegen daarover. Het benadrukt dat het echter nooit de intentie is geweest om individuele gezinnen te raken, wel om de collectieve dienstverlening te verbeteren ten bate van álle inwoners en álle handelaars van Niel.

Om zulke projecten van gemeenschappelijk belang – zoals een waardige sportinfrastructuur, de heraanleg van de dorpskern en investeringen in openbaar groen – te realiseren, zijn de opcentiemen een belangrijke inkomstenbron. Dat is des te meer het geval in een context van bescheiden inkomsten uit het Gemeentefonds en stijgende kosten voor pensioenen en hulpdiensten.

Bovendien, zo herhaalt de gemeente, ontvangt Niel volgens een onafhankelijke studie vandaag gemiddeld 60% minder inkomsten uit opcentiemen dan vergelijkbare gemeenten met eenzelfde aanslagvoet. Het bestuur vond het daarom niet onredelijk om deze ongelijkheid weg te werken. Het is opgelucht dat het Agentschap Binnenlands Bestuur zich in deze redenering kan vinden en hoopt dat de sereniteit nu snel kan terugkeren.